Woordzoekers

Woordzoekers zijn een beetje saaie puzzels. Er is een lijst met woorden en meestal een rechthoek of vierkant met letters en het is de bedoeling dat je de woorden vindt en wegstreept.

Woorden bekijken, opzoeken en wegstrepen kan goed gebruikt worden bij talen of nt2 waarbij leerlingen gewend raken aan een woordbeeld.

Via Facebook kwam ik een variant tegen waarbij een woordpuzzel gebruikt werd als introductie activiteit bij een nieuwe klas. De namen van alle leerlingen stonden in de woordpuzzel maar de namen werden niet gegeven. Leerlingen moeten elkaars naam vragen, die dan opzoeken en wegstrepen.

Een woordzoeker wordt interessanter als er een extra denkstap wordt toegevoegd. De woorden die je moet wegstrepen staan er niet letterlijk bij maar er staat iets anders. Bijvoorbeeld een Engels woord terwijl de Nederlandse vertaling moet worden weggestreept. Of de afkortingen van scheikundige elementen waarbij de gehele naam gezocht moet worden, of grootheden of eenheden bij Natuurkunde, of onderdelen in figuren die leerlingen moeten kennen. Het toevoegen van een extra denkstap maakt een woordpuzzel een goede en nuttige activiteit die in elke klas gedaan kan worden.

Het maken van een woordpuzzel is niet heel lastig. Online zijn hier veel programma’s voor te vinden (zoeken op crossword generator). Zelf gebruik ik al langere tijd: http://puzzlemaker.discoveryeducation.com/WordSearchSetupForm.asp. Liefst maak ik de lijstje eerst in Word en knip/plak ze dan in het juiste veld. Zo kan ik ze later nog hergebruiken of aanpassen als er een fout in zit. De puzzel knip/plak ik dan van het scherm en plaats het in Word of Powerpoint. Woordzoekers moet je wel een geschikt lettertype geven (in dit voorbeeld is Courier gebruikt).

Discovery Education heeft ook andere puzzel generatoren om te gebruiken (http://puzzlemaker.discoveryeducation.com/).

Korte uitleg video’s maken

Het zal de tijd zijn maar iedereen is druk bezig om uitleg video’s te maken. Zo ook ik. Ik gebruik hiervoor Keynote. Dat is de Powerpoint die je bij Apple producten krijgt. Keynote is een gewelidig programma. Alles zit daar waar je het verwacht. Iets waar ik met Powerpoint nogal eens moeite heb. Mooi aan Keynote is dat je delen van je presentatie kan voorzien van beweging. Ook kan je alles exporteren als video. En je kan het geheel ook opnemen als presentatie waarbij Keynote een heel dashboard scherm maakt met de huidige dia, de volgende dia, de tijd, de aantekeningen bij de bladzijden, de microfoon sterkte enz. Je praat tegen je scherm, klikt wat met je muis en dan heb je vanzelf een mooie video.

Ik wil graag “live” praten bij de presentaties dus maak ik fimpjes die ik kan laten zien en waar ik iets bij kan zeggen, maar die op zich ook zelfstandig te volgen moeten zijn zonder gesproken tekst. Een paar voorbeelden hieronder.

 

 

 

 

 

Minkowski generator

Deze Minkowski diagram generator is zeer geschikt om te gebruiken op een digibord tijdens de lessen relativiteit. Ook kunnen de plaatjes worden opgeslagen om te gebruiken in toetsen of opdrachten. Het geheel is zeer geschikt ter ondersteuning van de docent en niet zo geschikt voor zelfstudie (hoewel het wel gebruikt zou kunnen worden in al dan niet digitaal lesmateriaal).

Minkowski diagram

Op zich wijst het programma zichzelf maar hierbij toch even kort de belangrijkste knoppen.

Aan de linker zijde staan drie groepen instellingen:

  • diagram instellingen
  • snelheid
  • punten

Deze drie instelling kunnen ook uitgezet worden zodat er op een digibord een rustig beeld ontstaat.

Diagram instellingen

Minkowski instellingen diagram

Standaard zijn er 4 kwadranten met 4 rasterlijnen, met de schuif kan je dit aanpassen.
Het stilstaand stelsel (rest frame) is zwart en is de basis van het diagram.
Het bewegend stelsel (moving frame) is blauw.
Rasterlijnen kunnen  aan- en uitgezet worden, evenals de licht assen (light axes).

Het aanvink vakje links boven zorgt er voor dat de diagram instellingen uit beeld verdwijnen (hoewel de knoppen nog wel gebruikt kunnen worden).

Snelheid

Snelheid instellingen

De snelheid staat standaard op 0,6c maar kan hier aangepast worden. Met de schuif is de snelheid ook te veranderen (het diagram verandert dan mee).
De bèta en de gamma worden automatisch berekend.

Het aanvink vakje links boven zorgt er voor dat de snelheid instelling verdwijnt (hoewel de knop nog wel gebruikt kan worden).

Punten

Er zijn twee punten in de grafiek te zetten. Een groene en een rode. De punten staan standaard in het stilstaande (zwarte) stelsel. De waarde in het bewegend stelsel worden wel getoond. Dit betekent dat als je de snelheid aanpast de punten vast staan in het zwarte stelsel.
Punten kunnen ook vastgezet worden aan het bewegend stelsel (Lock to moving frame) waarbij de punten mee bewegen met het blauwe stelsel als de snelheid verandert.
Door elk punt kunnen ook de lichtassen getekend worden. (Light axes through point).

De aanvink vakjes achter de coördinaten zorgen ervoor dat er hulplijnen worden getoond om de coördinaten af te lezen (hier de groene in het bewegend stelsel en de rode in het stilstaand stelsel).

Minkowski diagram coördinaten aflezen

Het aanvink vakje links boven zorgt er voor dat de diagram instellingen uit beeld verdwijnen (hoewel de knoppen nog wel gebruikt kunnen worden).

Minkowski diagram

Hierboven een digibord instelling met alleen de snelheid zichtbaar (en de twee andere aanvink vakjes zijn nog net te zien).

Als het window van maat verandert past het diagram zijn afmetingen aan door het window te refreshen.

Opslaan van een diagram met de rechtermuis klikken op plaatje en kiezen voor ‘Opslaan als‘.

Het programma werkt in Chrome en Firefox onder iOS en Windows. Het werkt ook op tablets (ook met Chrome op Android) maar dan is het scherm vaak wat klein. Technisch werkt het vaak ook op een telefoon maar dan is het scherm echt te klein om iets mee te doen. Voor gebruik op een telefoon kunnen diagrammen ook als plaatje gegeven worden dan kan een leerling inzoomen waar nodig.

Er kunnen in verschillende tab bladen verschillende diagrammen voorbereid worden.

Link

https://minkowski.vak-online.nl

Modelleren in Coach7

Net als veel collega’s, denk ik, zijn we bezig om modelleren om te zetten van Coach6 naar Coach7. Op zich ben ik wel tevreden met Coach7 en vooral met de betere werking bij leerlingen thuis. We hebben grootse plannen om het modelleren in te zetten bij in principe elk hoofdstuk. Maar tijd moet nog gevonden worden.

We verzamelen de opdrachten online zodat leerlingen de gegevens thuis terug kunnen vinden. En tot op heden lukt het de leerlingen aardig om alles werkend te krijgen.

We hebben er, voor nu, voor gekozen om leerlingen zelf de modelleeropdrachten te laten maken en de .cma7 bestanden niet online te zetten. Maar misschien wijken we daar nog wel vanaf als het maken van het model onevenredig veel tijd kost met wat er dan te zien is.

We zijn begonnen met 4vwo (Kracht en beweging) en 5vwo (Straling).

Linkhttps://modelleren.wordpress.com

30 jaar

Er zijn momenten dat ik me ineens erg oud voel. Op 6 juni 2014 was de 30-ste verjaardag van Tetris. En ook ergens dit jaar is het de 30-ste verjaardag van Ghostbusters. Ik herinner me van Ghostbusters vooral het melodietje dat (op mijn Commodore 64) zonder veel variatie maar door bleef gaan. Aan het spel zelf heb ik niet zo veel tijd besteed. Op dit moment zijn er nog legio Ghostbuster attributen te koop.

Bron: http://www.youtube.com/watch?v=Hz5VvMItHmM

En Tetris had ook als zo’n herkenbaar geluidje. Dit was echt verslavend en het gaat helemaal nergens over. Ik herinner me een LCD versie (Brick Game, nog steeds te koop voor 2,50 euro) die op de wc terecht was gekomen maar daar na verloop van tijd toch weer uit verbannen is 🙂

Bron: http://www.youtube.com/watch?v=H1yQQZm7Vvc

Waarom was Tetris zo verslavend? Tom Stafford bekijkt “The psychology of Tetris”. Tom beschrijft het Zeigarnik Effect waar bij ons brein zich richt op nog niet voltooide taken, maar voltooide taken ook weer direct vergeet. Een verschijnsel dat ik in de klas ook wel zie. Leerlingen zijn druk bezig met een opdracht of opgave. Ze overleggen met buren. Komen tot een juiste conclusie. En als ik dan even later een andere opdracht geeft over hetzelfde onderwerp dan hebben leerlingen geen idee meer. Na het voltooien van de eerste opdracht krijgt het brein het signaal om hier niet langer over na te denken. Het is klaar.

Bron: http://www.youtube.com/watch?v=0l3C_jayokw

 

Natuurkunde is leuker als je denkt.

Conceptvragen komen weer helemaal terug. Noordhoff Uitgevers hebben in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen en de Nederlandse vereniging voor het onderwijs in de natuurwetenschappen (NVON) een (gratis) boekje uitgegeven “Natuurkunde is leuker als je denkt”. Of het boekje nog te krijgen is weet ik niet, de vragen zijn nog wel te downloaden als Powerpoint bestand.

Het boekje bevat 100 meerkeuzevragen over concepten in het natuurkunde onderwijs. Voor leerlingen zijn conceptvragen een goede oefening. Het gaat dan niet zozeer om het rekenen (de berekeningen kunnen meestal wel uit het hoofd gedaan worden) maar vooral om het inzicht. Mazur (“From questions to concepts”) gebruikt dit soort vragen ook in zijn les. Mazur merkte dat leerlingen wel een voldoende halen voor een tentamen maar dat de onderliggende concepten toch niet goed begrepen worden. Hij is begonnen om de lessen om te buigen en vragen leidend te laten zij in de les. Conceptvragen zijn hier uitermate geschikt voor. Laat leerlingen eerst zelf (in stilte) een antwoord formuleren. Verzamel de mogelijke antwoorden en laat leerlingen vervolgens samen in gesprek gaan om uit te zoeken welk antwoord echt goed is. Volgens Mazur is het vooral zoeken naar begrip:

You can forget facts, but you cannot forget understanding.

Op dit moment gebruik ik de conceptvragen om te kijken of de leerlingen een begrip voldoende kunnen doorzien. Op het digibord verschijnt een vraag met 4 antwoorden. Leerlingen bekijken die in stilte en kunnen op hun mobiele telefoon een antwoord kiezen. Niet alle leerlingen hebben een geschikte telefoon maar voor het gesprek erna is dat niet zo belangrijk. Als meer dan de helft van de leerlingen kunnen kiezen is er voldoende variatie in de antwoorden. Als de antwoorden op het bord verschijnen begint het gesprek. Meestal doe ik 2 of 3 vragen na elkaar omdat het opstarten van de mobiele telefoons vaak onverwacht lang duurt. Eerst moeten ze even WhatsApp-en, pingen enz. voordat de mobile browser open gaat. Voor het stemmen gebruik ik momenteel Mentimeter. Een gratis online toepassing die betrouwbaar werkt. Voorheen gebruikt ik Socrative maar die werkt moeizaam met BlackBerry telefoons. Voor beide toepassingen geldt dat ik voor de vragen een aparte website gebruik omdat ze beide niet om kunnen gaan met plaatjes. In Mentimeter is dan alleen een korte versie van de vraag en de antwoorden te zien.

Mentimeter
Mentimeter.com

Noordhoff Uitgevers gebruiken in hun methode Pulsar (bovenbouw havo/vwo) ook conceptvragen als begin van elke paragraaf. De methode Impact (voor de onderbouw van ThiemeMeulenhoff) heeft ook een structuur waarbij “begrijpen” eerst komt en dan pas “toepassen”.

Paul Hewitt heeft zijn hele methode “Conceptual Physics” genoemd. Hij gebruikt in deze methode ook “ranking tasks” (sorteeropdrachten). Op dit moment gebruik ik de sorteeropdrachten weer wat minder (één maximaal twee keer per hoofdstuk) vooral omdat het meer tijd kost dan de conceptvragen. Uiteindelijk is het mijn bedoeling dat de leerling met enige regelmaat wordt aangestuurd om na te denken.

Het “Technisch Weekblad” had in de vorige eeuw regelmatig zogenoemde “Techquests” waarbij Bram Vermeer (volgens mij in samenwerking met TNO) vragen stelde en er 4 mogelijke antwoorden bij gaf. Rond de eeuwwisseling zijn ze hier mee gestopt. Er zijn nog wel twee mini boekjes uitgegeven (met iets meer dan 20 vragen per boekje). Online of in het archief van het Technisch Weekblad zijn deze Techquests helaas niet meer terug te vinden.

Techquest
Techquest

Het lijken multiple choice vragen maar dat zijn het stiekem niet. Vaak zijn er 2 of 3 mogelijkheden juist. Het zijn 4 mogelijkheden die allemaal beoordeeld moeten worden. Sommige zijn wel relevant (maar niet de belangrijkste reden), sommige zijn wel belangrijk en sommige zijn ook gewoon onjuist.

Straling en radioactiviteit

Tsjernobyl en recenter Fukushima hebben duidelijk gemaakt dat radioactiviteit onze aandacht nodig heeft. Het is een -natuurkundig gezien- mooi proces. De gevolgen van een foutje zijn echter enorm. En toch komen we straling en radioactiviteit dagelijks tegen. En niet alles is even schadelijk.

Om leerlingen hier over na te laten denken is het nodig om ze van informatie te voorzien. Er moet les over worden gegeven. En wel in de onderbouw (want helaas kiest niet elke leerling natuurkunde). Opvallend is dat niet alle methoden een hoofdstuk hebben over straling en radioactiviteit. Steeds meer docenten zien echter wel het belang in om het onderwerp te behandelen en maken/zoeken dan zelf de informatie bij elkaar om de lessen te geven. Afgelopen jaar heb ik als een soort van bijlage bij de lessen over straling en radioactiviteit een website gemaakt met -in het kort- de rode draad van wat ik leerlingen wil vertellen (in de onderbouw, meestal aan het einde van klas 3 voor havo/vwo). Met plaatjes, opgaven, video’s, beschrijvingen van onderzoekers die een rol hebben gespeeld bij het onderwerp,  enz.

De website is niet bedoeld voor zelfstudie, maar echt als bijlage bij de lessen. Als er een digitaal bord in het lokaal is zijn via de website ook de plaatjes en  filmpjes snel terug te vinden. De meeste gegevens hebben een creative commons licentie wat gebruikers veel mogelijkheden biedt. De website is nog niet helemaal compleet. Maar zoals dat vaak gaat is het wachten tot het onderwerp weer gegeven wordt om tijd en ruimte te hebben om verder te gaan.

Link: Radioactiviteit.wordpress.com

Meer lestijd regelen

De tijd in de les is altijd te kort. Het is belangrijk om steeds te kijken naar activiteiten die leerlingen beter elders kunnen doen. Zo kan ik als docent zelf wat “extra lestijd regelen”. Maar doen ze dat dan ook? Hoe houd ik overzicht?

Leerlingen die thuis een activiteit moeten doen zullen moeten “bewijzen” dat ze dat ook daadwerkelijk gedaan hebben. Huiswerk moet in het schrift staan, de opdracht ingeleverd. Bij natuurkunde kunnen leerlingen soms foto’s maken en die opsturen naar de docent (van een hefboom, van de meter kast, van een thuis proefje, ..) en die foto’s zijn allemaal uniek.

Vorige week had ik leerlingen uitgelegd hoe ze om moeten gaan met significantie (significante cijfers zijn cijfers die er toe doen, een antwoord kan niet nauwkeuriger worden dan de gegevens door een berekening). Ze hebben sommen gemaakt, antwoorden gecontroleerd achter in het boek. Leerlingen hebben nu het idee dat ze alles weten en snappen, maar dat gaat nogal eens mis. Een overhoring ligt voor de hand, maar kost wel veel lestijd. En is een cijfer nodig voor zo een klein onderwerp dat nog heel vaak terug komt? Uiteindelijk heb ik een aantal vragen online gezet in Testmoz en de leerlingen de opdracht gegeven om de vragen te maken totdat ze 100% goed hadden. Testmoz is een test programma (online, gratis) en kan zonder aanmelden gebruikt worden. Leerlingen voeren hun naam in en een wachtwoord, de docent kan inloggen in het admin gedeelte en krijgt rapportages van alle pogingen. Let wel Testmoz is geen veilige testomgeving. Als iemand een andere naam opgeeft en de vragen maakt dan is dat niet te zien. Maar dat is ook niet zo erg. Testmoz beperkt het aantal rapporten tot 100, dus als leerlingen vaak herkansen moet je gaandeweg wel wat rapporten weggooien.

Deze week heb ik leerlingen aan het werk gezet met opgaven over beweging. Leerlingen vinden het lastig om grafieken (afstand/tijd, snelheid/tijd) te doorgronden. Ze krijgen dan een grafiek met, in dit geval, 5 lijnen en moeten daar dan vragen over beantwoorden.

De  vragen heb ik in Testmoz gezet (er zijn meerdere antwoorden mogelijk per vraag). De leerlingen voeren vervolgens thuis de antwoorden in, krijgen te horen of het antwoord goed is en bij een fout antwoord krijgen ze het juiste antwoord te zien. Kunnen ze kijken of ze het antwoord begrijpen en anders hebben ze de volgende les een vraag. In de les besteed ik alleen tijd aan de vragen. Niet aan het nakijken. En dat scheelt.

Het lijken kleine acties, maar de lestijd die er mee gewonnen wordt is belangrijk. En leerlingen krijgen er ook wat ruimte voor terug. Ze kunnen de opdracht maken of nakijken wanneer ze er aan toe zijn. Nu heb ik straks weer tijd om een sorteeropdracht te maken met de leerlingen.

Beoordelen van proefwerken

In het vorige bericht heb ik gekeken naar rtti als hulpmiddel bij het vaststellen van cijfers voor proefwerken. In zijn algemeenheid geven cijfers voor proefwerken leerlingen maar weinig informatie.

Een cijfer geeft aan dat, voor het proefwerk als geheel, bepaald is dat de kennis en de manier waarop deze kennis wordt verwoord beoordeeld wordt met -laten we zeggen- een 8,3. De leerling weet nu dat er fouten gemaakt zijn. Genoeg fouten om 1,7 punt niet toegekend te krijgen.

Met rtti weet de leerling ook welk soort vragen er beter en minder goed gemaakt zijn. Niet heel precies. Maar het geeft wel inzicht in het soort vragen waar het moeilijk mee gaat. Nu zal bij een 8,3 ook in rtti wel heel veel groen zijn (goed gemaakt). Dus deze leerling schiet er niet zo veel mee op. Rtti geeft meer duidelijkheid als er slechter gescoord is. Met een beetje geluk komt een hele categorie (bijvoorbeeld inzicht vragen) rood te voorschijn (niet goed gegaan). Als alles een beetje oranje is (matig gemaakt) heeft deze leerling er ook niet zo veel aan.

Wat nu veel in het nieuws is is SBG (Standard Based Grading). Proefwerken worden door de docent beoordeeld (juist/onjuist) en de leerlingen krijgen feedback op onderdelen. Hiervoor is wel een “standaard” nodig. In Nederland zijn we een beetje afgestapt van het definiëren van standaarden en worden eisen vaak globaal weergegeven. Daar ligt dus nog wat werk.

De feedback kan in algemene termen gegeven worden (“Bij het uitwerken van berekeningen noteer je niet altijd een formule”) en dat is een grove feedback die wel iets weg heeft van rtti. Maar de feedback kan ook veel gedetailleerder zijn op de onderdelen die de leerling zou moeten beheersen (“Lichtbronnen (wit licht, UV en IR) kunnen benoemen: goed”, “Lichtbronnen kunnen toepassen in een context: matig”).

Kelly O’Shea heeft er een mooi bericht over geschreven. Zij gebruikt een simpele matrix waarbij links de onderdelen staan waarop feedback gegeven wordt. En bovenin de vraag nummers. Zij beoordeeld de opdracht met een -, een 0, 1 of 2.

geeft aan dat er niet echt iets te beoordelen is (geen of rommelige uitwerking, vraag verkeerd begrepen)
0 geeft aan dat er veel fouten gemaakt worden of verwarring te zien is
1 geeft aan dat het de goede kant op gaat (kleine foutjes)
2 geeft aan dat het goed gaat.

De onderdelen moeten uiteindelijk een “2” worden. Een “2” wordt het pas als de leerling dit onderdeel altijd foutloos doet. Er wordt niet “naar boven afgerond” omdat leerlingen dan een verkeerd signaal krijgen. Belangrijk is dat leerlingen een matige score bij een onderdeel niet kunnen compenseren met een ander onderdeel. Elk onderdeel heeft een eigen minimale score nodig. En daarmee is standard based grading wezenlijk anders dan een normale beoordeling van een proefwerk. Bij een proefwerk kan een leerling voor elektriciteit best een voldoende halen zelfs als deze leerling op geen enkele manier een weerstand kan uitrekenen.

In het commentaar zegt Kelly:

once you have three 2′s in a row for the same objective, then you can start to consider yourself at the “mastery” level… before then, we just don’t have enough data yet

Deze manier van beoordelen komt voort uit de Standard Based Grading. Phil gebruikt de cijfers 0 tot en met 3:

Each standard will be graded on a scale:
0 – Not attempted (each standard will start at this level)
1 – Needs improvement
2 – Adequate
3 – Mastery

Er worden ook 5-punts schalen gebruikt (1 tot 5, 0 tot 4). Sameer Shah maakt van 1 “Needs improvement” twee niveaus en maakt een extra tussenscore 3,5 voor “almost mastery”. Echte overeenstemming heb ik nog niet kunnen vinden. Iedereen lijkt te kiezen voor een manier om te beoordelen die bij hem of haar past.

Met een beetje hulp van ict moet het mogelijk zijn om deze feedback te automatiseren (en te combineren met rtti). De docent maakt een proefwerk. Geeft bij elke (sub) vraag aan wat voor soort vraag het is (rtti), klikt de bijbehorde standa(a)rd(en) aan, geeft aan hoeveel punten er voor de vraag beschikbaar zijn. Na het nakijken voert de docent de punten in (net als bij rtti) en zodra het cijfer bepaald is krijgt de leerling een mail met daarin het cijfer, de rtti verdeling en de scores per onderdeel. Ter leering ende vermaeck. Als ook diagnostische opdrachtjes op deze manier snel beoordeeld kunnen worden krijgt de leerling gaandeweg wel een duidelijk beeld van wat er goed en wat er minder goed gaat.

Komend schooljaar maar eens verder kijken. Zoals Brian het verwoordt:

Getting started is the hardest thing, but then your off and learning; because once you are going, you learn by the mere act of doing.

LittleBits

Geniaal. Ayah Bdeir heeft “technische legoblokjes” gemaakt die het mogelijk maken om techniek in te bouwen in allerlei voorwerpen zonder dat je verstand hoeft te hebben van deze techniek: LittleBits.

De TEDtalk (van 5 minuten) is indrukwekkend. Collega’s reageren met woorden als “tof” en “hebben”. Op de website van LittleBits staan heel veel voorbeelden en is het ook mogelijk om de LittleBits aan te schaffen. Ook heeft de website een hoekje voor “dreamBits” waar je kan aangeven welk “legoblokje” je ook graag zou willen zien. Het geheel is Open Source, maar nog niet alle informatie lijkt te zijn vrijgegeven. Ook zijn de karakteristieke contacten (nog) niet los verkrijgbaar waardoor je niet echt makkelijk zelf aan de slag kunt gaan (zie het commentaar hier).

Los van dat alles is het een mooi geheel. Niet echt goedkoop. En de verbindeningen zouden niet al te stevig zijn maar toch. Zaten maar meer leermiddelen op deze manier in elkaar.